Jubileumpionier ( 100 jarig bestaan )

Pionier ( jubileum 100 jarig bestaan )

 

Scouting: een algemene historische inleiding

 

Lord Baden-Powell

Robert Stephenson Smyth Baden-Powell werd op 22 februari 1857 geboren. Hij maakte snel carrière in het Britse leger en diende in India en Zuid-Afrika. Toen in 1899 in Zuid-Afrika de Boerenoorlog uitbrak was Baden-Powell nog daar gelegerd. Hij werd belast met de verdediging van het plaatsje Mafeking. Toen Mafeking uiteindelijk werd bevrijd hadden de troepen van Baden-Powell een beleg van zeven maanden doorstaan. Baden-Powell keerde terug naar Engeland als een held, vooral bij de jeugd, en werd bevorderd tot generaal-majoor. Veel jongens gingen over tot het lezen van zijn boek ‘Aids to Scouting’. Dit boek, door Baden-Powell tijdens zijn loopbaan in de Britse krijgsmacht geschreven, bevatte allerlei technieken en aanwijzingen, maar was eigenlijk bedoeld voor verkenners in het leger. Baden-Powell besloot ‘Aids to Scouting’ voor jongens te herschrijven, maar wilde eerst zijn ideeën testen. Daarom organiseerde hij in augustus 1907 met ongeveer twintig jongens een proefkamp op Brownsea Island aan de Engelse zuidkust.

Het kamp op Brownsea Island werd een groot succes en kan worden gezien als de start van het spel van verkennen. Kort hierna, in 1908, publiceerde Baden-Powell het boek ‘Scouting for Boys’ (Verkennen voor jongens), dat een regelrechte bestseller werd en door jongens over de hele wereld werd gelezen. Als paddenstoelen schoten vervolgens de Scout Troops in Engeland uit de grond. In 1909 werd de Boy Scout Association opgericht. Op aandringen van koning Edward VII besloot Baden-Powell zich volledig voor de immens populaire nieuwe beweging in te gaan zetten. In 1910 waren er reeds 100.000 padvinders ingeschreven. Inmiddels werden er ook meisjesgroepen opgericht en kwamen er zeeverkenners. De zuster van Baden-Powell, Agnes, kreeg de leiding over de Girls Guides Association.

Tijdens één van zijn wereldreizen bezocht Baden-Powell in 1910 Den Haag, waar hij eigenhandig de eerste verkenners en leiders installeerde. De eerste padvindersgroep in Nederland werd in december 1910 opgericht, al snel gevolgd door vele andere, ook in Zeeland. Prins Hendrik, gemaal van koningin Wilhelmina, slaagde er in 1915 in om eenheid te brengen in de padvinderij door het oprichten van de Nederlandsche Padvinders Vereeniging. Over de hele wereld ontstonden in zeer korte tijd Scouting-organisaties die het door Baden-Powell bedachte spel van verkennen vol enthousiasme propageerden.

In 1912 trouwde Baden-Powell met Olave Saint-Claire Olmes (1889-1977), die de leiding over de gidsenbeweging overnam van haar schoonzus Agnes. De eerste Wereldjamboree werd in 1920 in Richmond bij Londen gehouden. (Jamboree is een Indiaans woord en betekent zoiets als bijeenkomst.) Padvinders uit de hele wereld waren bij dit evenement aanwezig. Tijdens deze Wereldjamboree werd Baden-Powell uitgeroepen tot Chief Scout of the World en werd bovendien de World Organisation of the Scout Movement opgericht. De vijfde Wereldjamboree had in 1937 plaats in Nederland. In Vogelenzang-Bloemendaal ontmoetten 27.000 verkenners uit vierenvijftig landen elkaar.

De Chief Scout werd in 1929 voor zijn inzet voor de padvindersbeweging onderscheiden met de titel Lord Baden-Powell of Gilwell. Op tachtigjarige leeftijd nam hij afscheid om drie jaar later, op 8 januari 1941, in zijn woning in Kenia te overlijden. Lady Baden-Powell zou zich echter nog vele jaren voor de beweging blijven inzetten.

Alle jongens- en meisjesgroepen in ons land zijn sinds 6 januari 1973 verenigd in Scouting Nederland, dat zo’n 125.000 leden telt. Wereldwijd spelen tegenwoordig 24 miljoen jongens en meisjes in meer dan honderdtwintig landen het Scoutingprogramma.

 

De geschiedenis van de Berdenis van Berlekomgroep

 

De eerste dertig jaar: 1911-1941

De geschiedenis van de Berdenis van Berlekomgroep gaat maar liefst honderd jaar terug in de tijd. Dit maakt onze groep tot één van de oudste Scoutinggroepen van Nederland en de oudste van Zeeland. De groep heet van oudsher Berdenis van Berlekomgroep I. Het Romeinse cijfer I geeft aan dat de groep de eerste was met deze naam en diende ter onderscheid van een eventueel later op te richten tweede troep. Tegenwoordig wordt de ‘I’ in de naam niet meer gebruikt.

Al tien decennia lang voert de groep rood als kleur van de groepsdas. Aan deze felle kleur is te zien dat de Berdenis van Berlekomgroep een zeer oude groep is: de erg gewilde felle kleuren werden namelijk als eerste vergeven. Onze groep kreeg een rode das, de Vlissingse M.A. de Ruytergroep (opgericht 1919 en helaas met ingang van 2011 opgeheven) kreeg een oranje. Het uniform bestond in de beginjaren nog niet uit de welbekende korte padvindersbroek tot de knieën, maar uit een rijbroek met leren kappen, een kaki blouse en een veldmuts.

In het voorjaar van het jaar 1911 werden in Middelburg de eerste padvinderspatrouilles opgericht. Leider van het eerste uur was luitenant Limbeek, aanvankelijk alleen begonnen, later bijgestaan door de officieren Bogaert en Adrichem. Een klinkende naam uit de beginjaren was die van vaandrig Touburg, een oude zeerot met een verfomfaaide snor en een flinke woordenlijst met zeemanstaal waar de leerling-padvindertjes van bloosden.

De meeste leiders waren officieren van het Derde Regiment Infanterie. In de Eerste Wereldoorlog (1914-’18) meldde ook de groep zich aan bij dit regiment. Tijdens de eerste jaren van de oorlog hield de groep haar bijeenkomsten te Westkapelle. Ternauwernood ontsnapten leiding en verkenners aan de dood bij een mijnontploffing op het Westkapelse strand, die zes levens van niet-padvinders eiste. In de oorlogsjaren werd regelmatig illegaal de grens met België overschreden en werden de padvinders zelfs verdacht van spionage. Een hoogtepunt uit de eerste jaren was de inspectie in 1914 van de groep door prins Hendrik, een regelmatige bezoeker van de provincie Zeeland. Bij zijn komst reed hopman Piet ten Kate, zoals vaker bij belangrijke gebeurtenissen, gezeten op zijn paard voor de groep padvinders uit, er een stijlvol geheel van makend.

Reeds in het oprichtingsjaar 1911 kreeg de Berdenis van Berlekomgroep bezoek van een groep uit Wales, welke met een band voorop via Oostende de weg naar Middelburg lopend had afgelegd. Het verhaal wil dat de grote trom van deze bezoekers sneuvelde toen de grootvader van één van onze verkenners hierop ging zitten. Geïnspireerd door de Britse padvindersband werd uiteindelijk in (vermoedelijk) 1924 op initiatief van oubaas J.J. Meijboom ook in Middelburg een drumband opgericht, die al snel zo’n vijftig leden telde. Meijboom zou de band gedurende vele jaren begeleiden. De band was één van de oudste van Nederland en de beste uit de regio en zou later onder meer worden ingezet bij koninklijke bezoeken en het bezoek van Lady Baden-Powell aan Middelburg.

Al snel volgden tegenbezoeken aan Engeland. Naar de eerste Wereldjamboree in 1920 in het Arrow Park bij Londen werden zes Zeeuwse padvinders gezonden. De contacten met zusterstad Folkestone dateren uit 1923. Al in 1926 vertrokken de eerste Middelburgse padvinders naar Folkestone, waar een kamp bij de krijtrotsen werd opgeslagen. Ook in Londen werd gekampeerd. De kosten van de overtocht bedroegen in deze jaren slechts 7,50 gulden. Bekende namen van leiders uit deze jaren waren Bosdijk, Ten Kate, Meijboom en Adams. Waarschijnlijk had de groep vanaf de jaren twintig ook een welpenhorde.

 

De padvindersband na 1945

Voor de oorlog was de Middelburgse padvindersband er één die er zijn mocht. Met zijn tamboers en hoornblazers was de band vrijwel altijd present bij feestelijkheden in Middelburg. Na de oorlog was er echter weinig meer over van de prestigieuze band. Van de rijke verzameling instrumenten was in de bezettingsjaren veel verloren gegaan, onder meer door het bombardement van Middelburg in mei 1940. Uiteindelijk bleek nog slechts één trommel bij een verkenner thuis te berusten.

Bandleider Jan de Kuijper trachtte na de bevrijding de band nieuw leven in te blazen. Animo hiervoor was er genoeg; het ontbrak de bandleden aan instrumenten en geld. Veel nieuw materiaal was er echter nog niet te koop en veelal moest men met tweedehands instrumenten genoegen nemen. De eerste nieuwe trommels die gekocht konden worden, waren afkomstig uit het leger en bijna niet te tillen. Toch kon de band al spoedig zijn geluid weer door de straten van Middelburg laten klinken. Zelf vervaardigde de groep dieptrommels onder leiding van hopman Lafeber, van beroep meubelmaker.

Toen kort na de oorlog de zogenaamde Boomplantdag plaatsvond op Walcheren was de band paraat, evenals bij het bezoek van Lady Baden-Powell aan Middelburg in 1946. De meeste voortrekkers van de groep waren lid van de band. Ook bij padvindersevenementen buiten Middelburg verleende de band zijn medewerking. Omdat de band in de eerste jaren na de oorlog de enige in Zeeland was, lag het voor de hand dat er vele uitnodigingen binnenkwamen om feestelijkheden in de padvindersbeweging met de band op te luisteren.

Oorspronkelijk bestond de band uit jongens, maar later kwamen ook meisjes hiervoor in aanmerking. Hoewel de contributie slecht vijf cent per week bedroeg, wist de band hiervan toch rond te komen. De repetities vonden ’s avonds plaats in het groepsgebouw aan de Zuidsingel. Van noten had men geen kaas gegeten. Met bepaalde tekens op een bord werden de marsen ingestudeerd en de hoornblazers bliezen de melodie uit het hoofd. Door samenwerking met het muziekkorps ‘Veere’s genoegen’ werden de prestaties opgevoerd en werd bereikt dat de band, tezamen met het muziekkorps, een taptoe kon instuderen. Deze taptoe werd later in Veere en op de Markt in Middelburg ten gehore gebracht.

In de jaren zeventig werd de naam van de band veranderd in Scouting Band Middelburg. Bandleiders waren onder anderen De Kuijper, Jeroense, Cees Hordijk, Rob Stufkens en Cor de Jonge. Begin jaren tachtig was de nood hoog voor de band. Rein Nonnekes, die de band gedurende vele jaren had geleid, kon in augustus 1982 geen opvolger vinden. Besloten werd een bestuur te vormen uit afgevaardigden van de Middelburgse groepen om zo te proberen de zeventig jaar oude band voor een ondergang te behoeden. Dit lukte aanvankelijk, want na een korte onderbreking konden weer enkele leden begroet worden en vanaf 1983 oefende de Scoutingband weer wekelijks in het groepsgebouw van de Berdenis van Berlekomgroep. Tamboer-maître was toen John van Tol. Toch was ook de reddingspoging geen lang leven beschoren. Door een tekort aan belangstelling kwam er halverwege jaren tachtig definitief een einde aan de roemrijke band. De instrumenten werden later verdeeld onder de Middelburgse Scoutinggroepen. Tijdens op de reünie op 7 april 2001 ter gelegenheid van het negentigjarig bestaan van de groep, werd er voor de aardigheid nog wel een marsje geblazen door enkele oud-bandleden.

 

De tweede dertig jaar: 1941-1971

Tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-’45) werd de groep verboden door de Duitse bezetter, die duidelijk niets van de padvinderij moest hebben. Een prachtige verzameling schilderijen, boeken en foto’s van oubaas Meijboom werd in 1942 door de Gestapo in beslag genomen. Het archief ging verloren en zodoende is het materiaal over de groep van voor de oorlog erg schaars.

In 1945 werd de Berdenis van Berlekomgroep door verschillende oudgedienden weer herenigd. De groep bestond op dat moment uit welpen en verkenners. De verkennersgroep werd geleid door hopman Lafeber en vaandrig Verniel. De uniformen bestonden uit een kaki shirt, een korte manchester broek, lange kniekousen, een padvindershoed en de rode driekante groepdas. Kort hierna werden ook de voortrekkers en de drumband heropgericht.

Het hoogtepunt voor de padvindersbeweging in Zeeland in de naoorlogse jaren was het bezoek van Lady Baden-Powell op zaterdag 5 oktober 1946. De officiële ontvangst van ’s werelds eerste padvindster, de Chief Guide, vond plaats op de Markt in Middelburg, waarbij zo’n 2.700 Zeeuwse padvindsters, padvinders, kabouters en welpen aanwezig waren. De ontvangst werd begeleid door de Middelburgse drumband onder leiding van oubaas De Kuijper als tamboer-maître, die de complimenten van Lady Baden-Powell kreeg voor het optreden van de band. Enkele leidsters werden door Lady Baden-Powell onderscheiden voor hun activiteiten voor de padvindstersbeweging tijdens de bezettingsjaren. Door de Zeeuwse padvindsters, padvinders, kabouters en welpen werd verder een kleppermars uitgevoerd. De Chief Guide kreeg ook een paar kleppers aangeboden. De volgende dag reisde zij door naar Dordrecht.

Wegens de grote belangstelling voor de padvinderij na de oorlog werd in 1946 een Vendel II van de Berdenis van Berlekomgroep opgericht. Het Vendel II startte zijn activiteiten in de grote vochtige kelder onder het gebouw aan de Zuidsingel. Nadat deze was schoongemaakt, gewit en ingericht werd het echter toch een gezellige ruimte. Op 10 september 1947 kwam er een eind aan de tijd in de kelder toen Vendel II een eigen clubhuis aan de Penninghoek kreeg. Nu Vendel II een eigen gebouw bezat, gingen er al snel stemmen op voor een eigen groepsnaam. Op 20 september 1947 werd gestemd en werd de naam gewijzigd in Paul Krugergroep. De Paul Krugergroep verhuisde later naar een gebouw aan de Kinderdijk, waar deze Scoutinggroep tegenwoordig nog steeds is gevestigd.

Het veertigjarig bestaan van de padvindersbeweging op Walcheren en dus ook van de Berdenis van Berlekomgroep werd in 1951 op waardige wijze gevierd. Medewerking werd verleend door alle padvindersgroepen op Walcheren. Op het Molenwater werden diverse stands ingericht waar men door middel van fotomateriaal en brochures kon zien wat de padvinderij inhield. Ook werden 1946 demonstraties in houthakken, lassowerpen, worstelen en E.H.B.O.-werk gegeven. De dag werd besloten met een groot kampvuur op het Molenwater, dat werd gadegeslagen door een groot deel van de Middelburgse bevolking, en een taptoe. Vijf jaar later werden ter viering van het vijfenveertigjarig jubileum een grote padvindersmarkt op de Vismarkt en een revue in het Schuttershof gehouden. Alle jongens- en meisjesgroepen uit Middelburg hielpen mee aan de festiviteiten. De samenwerking tussen de Middelburgse groepen verliep zo goed dat enkele maanden later gezamenlijk deelgenomen werd aan een sportuitwisselingskamp met Folkestone.

De Berdenis van Berlekomgroep kende in 1956 een groep van zesentwintig verkenners en twee welpenhordes van vierentwintig welpen. Bekende namen uit de jaren veertig en vijftig die onlosmakelijk met de groep zijn verbonden: Goedbloed, Lafeber, Verniel, Fastenau, Scheele, Kruijsse, Schmidt, Brand, Van Loo, Swets, Trimpe Burger en de heer en mevrouw Pierhagen.

Begin jaren zestig werd door (de latere) schipper Pierhagen wederom een tweede verkennersgroep opgericht: een zeeverkennersgroep. De reden hiervoor was dat de landverkennersgroep al zesendertig leden rijk was en de ruimte in het troeplokaal te klein werd. Pierhagen begon met zijn zeeverkenners in de kelder van het gebouw aan de Zuidsingel. De groep bezat twee stalen vletten. Op 19 januari 1965 bezat de afdeling vijftien zeewelpen en veertien zeeverkenners. Een jaar later smolt de groep samen met de Paul Krugergroep, waaraan al het materiaal werd overgedragen.

Het zestigjarig bestaan van de Berdenis van Berlekomgroep werd opgesierd door de verschijning van een jubileumuitgave van het toenmalige groepsblad. In deze uitgave werden de geschiedenis van de groep en talrijke anekdotes beschreven in verschillende stukjes, die opgesteld waren door leden en oud-leden. Naast een grote receptie was er een kamp voor alle leden in Veere. Namen van personen die in de jaren zestig veel voor de groep hebben betekend, zijn onder anderen Pierhagen, Hordijk, Stufkens, Mieras, Hozee, Hanse, Van der Peijl, Jeroense, Van Aartse en Suurmond. De groep bezat eind jaren zestig twee welpenhordes van zeventien welpen, twintig verkenners en negen stamleden.

De opening op 18 mei 1970 van het Hopman Vernielhuis was een hoogtepunt uit deze periode. Sinds 1957 hadden de bestuursleden van de provinciale padvindersorganisaties, en in het bijzonder voormalig hopman J.F. Verniel van de Berdenis van Berlekomgroep, gestreefd naar de totstandkoming van een padvindersterrein in Zeeland. Na veel getouwtrek over de locatie werd uiteindelijk een terrein aan de oever van het Veerse Meer toegewezen. De realisering van het Scoutcentrum heeft hopman Verniel helaas niet meer mee mogen maken; hij overleed enige tijd voor de opening. In het gebouw konden onder andere cursussen worden gegeven en welpen overnachten. Op de vijf hectare grasland en jonge boomaanplant eromheen was voldoende ruimte voor kampeer- en padvinderijactiviteiten. Het (houten) Hopman Vernielhuis heeft bijna 40 jaar dienst gedaan als kampeeraccommodatie. Inmiddels is het oude gebouw gesloopt en op 2 april 2011 is het volledig vernieuwde Hopman Vernielhuis officieel geopend door Commissaris van de Koningin Karla Peijs.

 

De Christiaan de Wetstam

Vermoedelijk werd reeds kort na de Eerste Wereldoorlog een voortrekkersstam opgericht in Middelburg. De jonge padvinders werden ouder en door zich aan te sluiten bij de voortrekkersstam konden zij toch bij de groep blijven. De voortrekkersgroep droeg aanvankelijk de naam ‘T-13’, omdat er dertien leden waren. Bekende namen waren Albert Frank, Joop Boutens en Piet Goossens. De stam stond onder leiding van de toenmalige oubaas Meijboom, een man bezield met een ware padvindersgeest en een groot enthousiasme en één van de grote steunpilaren van de Berdenis van Berlekomgroep voor de Tweede Wereldoorlog. Bij zijn overlijden in 1968 werd hij beschreven als de vader van de Zeeuwse padvinders, omdat hij de Zeeuwse jeugd het spel van verkennen bijbracht in een tijd dat de padvinderij bij velen nog vreemd aandeed.

In 1932 vond het eerste voortrekkerskamp plaats in Folkestone. Stamlid Albert Frank, een begenadigd zwemmer en vioolspeler, emigreerde later naar Canada en stuurde een heleboel Indiaanse gebruiksartikelen op die hun plek vonden in het Indiaanse museum van oubaas Meijboom. De padvinders hadden veel gebruiken van de Indianen overgenomen, zoals lassowerpen, scherpschieten met geweren en morse- en vlagseinen. De voortrekkersstam had in de jaren dertig veel contacten met Engelse groepen, onder andere uit Dover en Ipswich. Regelmatig kampeerden groepen Engelse padvinders bij ‘de wigwam’ (het Indiaanse museum had een wigwam in de tuin) van oubaas Meijboom in Biggekerke.

Omstreeks het jaar 1933/’34 werd aan de voortrekkersstam de huidige naam Christiaan de Wetstam gegeven. Oubaas Meijboom had in een brief aan mevrouw De Wet gevraagd om haar toestemming voor het verlenen van de naam van wijlen haar man aan deze voortrekkersstam. (Christiaan Rudolph de Wet (1854- 1922) was een Zuid-Afrikaans generaal tijdens de Boerenoorlog en speelde een hoofdrol bij de unificatie van de Zuid-Afrikaanse koloniën in 1910.) De stamhut was gevestigd in het gebouw aan de Zuidsingel, alwaar iedere woensdagavond de bijeenkomsten werden gehouden.

Veel tijd werd besteed aan de woudloperstraining, bestaande uit onder meer kamperen, lassowerpen, spoorzoeken, vuur maken met een vuurboog en koken op houtvuur. De voortrekkersstam ging vaak kamperen. Voor de oorlog kon het bivak opgeslagen worden op plaatsen die later taboe zouden zijn, zoals de duinen. Daarnaast werd gekampeerd op een buitencentrum te Valkenisse, dat door toenmalig notaris Loeff uit Koudekerke in bruikleen was afgestaan aan de Berdenis van Berlekomgroep. Veelvuldig werd van deze mogelijkheid gebruik gemaakt: de zogeheten Loeffkampen. Ook was het boscomplex ideaal om de woudloperstraining in de praktijk te brengen. In 1937 was een deel van de stam aanwezig bij de Wereldjamboree in Vogelenzang. Ook werden contacten gelegd met Engelse groepen en was reeds van uitwisseling sprake. Helaas bracht de oorlog de klad hierin.

Tijdens de oorlogsjaren moest het gebouw aan de Zuidsingel worden ontruimd. De voortrekkersstam vond tijdelijk onderdak in een meubelpakhuis aan de Burg. Door het bombardement in mei 1940 werd dit gebouw verwoest, tezamen met alle bezittingen van de stam en de instrumenten van de padvindersband. Vrij snel hierna verboden de Duitsers de padvinderij om nog langer bijeenkomsten te houden. De Nederlandsche Padvinders Vereeniging werd ontbonden. Desondanks kwam de stam clandestien bijeen in een schuurtje aan de Kinderdijk. Ook hiermee moest uiteindelijk worden gestopt uit angst om verraden te worden.

Na de oorlog werd het padvinderswerk voortgezet. Kort na de bevrijding ging een groep met twintig Middelburgse padvinders naar het Engelse Ipswich, waar ze een geweldige ontvangst kregen als eerste naoorlogse bezoekers. Veel nieuwe leden lieten zich bij de Berdenis van Berlekomgroep inschrijven. Het gebouw aan de Zuidsingel was gelukkig niet door oorlogsgeweld getroffen, al waren er nog wel enkele overheidsdiensten in gevestigd. Nadat het gebouw was vrijgegeven kreeg de stam voorlopige huisvesting in de kelder.

Het eerste kamp van de voortrekkersstam vond in 1947 plaats in de bossen bij Ossendrecht. Tijdens de bezettingsjaren had het kamperen en buitenleven volledig stilgelegen. Het (veelal geleende) tentenmateriaal was uiteraard niet al te best, maar voldoende om een onderdak te verzekeren. Oubaas Meijboom werd in 1947 opgevolgd door oubaas De Kuijper. Het verblijf in de kelder van het gebouw aan de Zuidsingel beviel niet bepaald. In 1950 kreeg de stam de beschikking over een onbewoonbaar verklaarde woning in de Spanjaardstraat, die werd verbouwd tot een sfeervolle stamhut. Bij het bouwvallige pandje in de Spanjaardstraat, aan de achteringang van de Rijks HBS, werden vaak fietsenrally’s gehouden onder leiding van oubaas J. Suurmond. Uit deze rally’s kwam uiteindelijk het idee voor een lange wandeltocht voor voortrekkers voort, waaraan vaandrig J. Kruijsse later de naam Grote Trek gaf. De Grote Trek werd een traditie, waaraan vele Zeeuwse Scoutingleden jaarlijks deelnamen en nog steeds deelnemen. Op 19 maart 2011 is inmiddels de vijfenvijftigste editie

van de Grote Trek gelopen.

 

De derde 30 jaar: 1971 tot 2001

In 1973 gingen de verkenners op kamp naar Folkestone, waar de heer en mevrouw Saunders, beter bekend als Skip en Akela Saunders, tot ereleden van de Berdenis van Berlekomgroep werden benoemd. Het echtpaar uit Folkestone stond vanaf 1954 telkens voor ons klaar, wanneer de verkenners of rowans een bezoek brachten aan Engeland. Ook in de jaren tachtig waren zij nog regelmatig aanwezig wanneer de Grote Trek werd gelopen. Het wisselschild dat aan de groep die tijdens de looptocht een bijzondere prestatie had geleverd werd uitgereikt, was door Skip en Akela Saunders zelf gemaakt.

In 1976 werd het vijfenzestigjarig bestaan van de Berdenis van Berlekomgroep gevierd. Voor deze gelegenheid werd een speciaal jubileumblad uitgebracht, waarin de burgemeester van Middelburg de groep in het voorwoord feliciteerde met het bereiken van deze mijlpaal. Na de

opening en een optreden van de drumband begon het programma op deze feestdag met een receptie op de welpenzaal, diverse toespraken en een foto- en diavoorstelling. Ook het jubileum in 1981 werd met een receptie, een tentoonstelling en diverse demonstraties opgeluisterd. De groep had in deze periode vijfentwintig welpen en twintig verkenners. Het aantal stamleden liep echter steeds verder terug, zelfs tot twee in 1981. Het gevolg was dat de stam begin jaren tachtig (tijdelijk) werd opgeheven. Bekende leiders uit de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig waren onder anderen Van Tol sr., Rietveld, Besems, Zagers, Hofman, Le Duc, De Zwart, Stufkens en Martherus.

Op 13 februari 1982 werd onder leiding van Marjo de Goffau-Griep met zes oudere verkenners een seniorenpatrouille opgericht. Dit experiment werd een groot succes en vanaf 21 augustus 1982 gingen de senioren als rowan-afdeling van de Berdenis van Berlekomgroep verder. Aanvankelijk werd iedere zaterdagochtend op de zolder van het gebouw opkomst gedraaid, maar al snel werden de bijeenkomsten verschoven naar de zaterdagmiddag. Het doel van deze afdeling was met een groeiende zelfstandigheid, maar in overleg met de leiding, het eigen programma en andere zaken te bepalen. In 1983 besloten de rowans oud papier te gaan inzamelen om van de opbrengst tenten en ander materiaal aan te schaffen en activiteiten te bekostigen. Als opvolger van Marjo de Goffau-Griep trad Ton Broodman dat jaar aan. Hij zou tot 1998 actief blijven als rowanbegeleider bij de groep. In ruim tien jaar tijd groeide de rowanspeltak uit van slechts enkele naar uiteindelijk zo’n twintig leden. Enkele activiteiten waarvan de rowans de organisatie op zich namen, waren het Ardennenkamp in Heure en de schietwedstrijden.

Nadat Scouting Nederland zich positief had uitgesproken over gemengde speleenheden, besloot de Berdenis van Berlekomgroep in 1984 om vanaf augustus dat jaar ook meisjes tot de welpenhorde toe te laten. De groep was daarmee de eerste op Walcheren die deze grote stap nam. Omdat het welpenspel gespeeld zou blijven worden, werden de meisjes ook welpen en geen kabouters. Bij de verkenners en de rowans wilde de Berdenis van Berlekomgroep eveneens binnen enkele jaren beginnen met een gemengde speleenheid. Toch duurde het tot 1990 bij de verkenners en tot 1992 bij de rowans voor de eerste meisjes werden geïnstalleerd. De rowan-afdeling ging vanaf dat moment verder als rowans/sherpa’s.

Het jaar 1986 stond volledig in het teken van het vijfenzeventig jarig bestaan van de Berdenis van Berlekomgroep. Het jubileum werd gevierd met een tentoonstelling over de historie van de groep, een reünie voor oud-leden en een grote loterij. Daarnaast werd dat jaar een verkoopactie van stickers met de naam van de groep erop georganiseerd om geld op te halen voor andere activiteiten.

Nadat de groep het ongeveer vijf jaar zonder stam had moeten stellen, werd de Christiaan de Wetstam in oktober 1986 nieuw leven ingeblazen. De nieuwe stam telde vijf stamleden en stond onder leiding van Peter Wolff. De opkomsten werden op vrijdagavond in de stamhut op de begane grond van het groepsgebouw gehouden, die als snel flink opgeknapt werd. De speltak groeide uiteindelijk uit tot een groep van ongeveer vijftien jongeren (van beide geslachten). In 1996 werd de stam korte tijd gesplitst in een junioren- en een seniorenafdeling, maar inmiddels is er weer één stam. De belangrijkste bezigheden van de stam zijn het jaarlijks organiseren van het Nieuwjaarsbal in januari en de Grote Trek in maart. Daarnaast werd de Stammenoorlog (wedstrijden tegen stammen van andere groepen) een vaak terugkerend evenement.

Begin 1987 deed weer een nieuwe speltak haar intrede. Onder leiding van Gerry Kuyt werd met negen kinderen begonnen met de bevers, een speltak voor jongens en meisjes van 5 tot 7 jaar. Ze hielden hun opkomsten aanvankelijk op zaterdagochtend op de welpenzaal. De speltak groeide binnen een jaar uit tot een groep van twaalf bevers. In 1988 werd besloten het leidinglokaal en de materiaalopslag op de begane grond samen te voegen en te verbouwen tot beverlokaal. Het materiaal werd ondergebracht in een magazijn op de rowanzolder. Na Gerry Kuyt gaven Marja Dekker en Nanette Vader gedurende enige tijd leiding aan de bevers. In 1995 moest de speltak wegens een tekort aan bevers en leiding noodgedwongen stoppen en een herstart enkele jaren later was van korte duur.

In de jaren tachtig schommelde het aantal welpen rond de twintig, terwijl de verkennersspeltak ongeveer vijftien jongens telde. Naast de reguliere opkomsten deden de beide speltakken mee aan activiteiten die grotendeels ook nu nog steeds georganiseerd worden. Een greep hieruit: de Jamboree On The Air (JOTA) in oktober te Veere, Baden-Powelldag in februari met een vossenjacht en boerenkoolmaaltijd, Sint-Jorisdag in april, de koekactie (stroopwafels verkopen in Middelburg), de zwemwedstrijden, de Rimbamjacht en Bamboezeurdag, de patrouillewedstrijden, de kookwedstrijden en het assisteren bij Koninginnedag en de dodenherdenking. Bekende namen van leiders en leidsters uit de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig zijn onder anderen: Marjo de Goffau-Griep, Kees de Goffau, Harry Manni, Ad Jansen, John van Tol, Lut Eversdijk, Jacqueline van Gils, Joop Wielart jr., Mieke Tol, Jan ’t Hart, Ton Broodman Marco de Klerk en Jeffrey van Gils. Van begin jaren tachtig tot 1998 stond de groep onder voorzitterschap van Joop Wielart sr.

Omdat men meende dat de organisatie met haar tijd mee moest gaan, besloot Scouting Nederland in 1991 de naamgeving van verschillende Scoutingtermen aanzienlijk te wijzigen. De welpen gingen verder als esta’s, de verkenners werden scouts en de rowans gingen explorers heten. Met termen als akela, hopman en vaandrig werd definitief gebroken. De Berdenis van Berlekomgroep is pas eind jaren negentig op de nieuwe terminologie overgestapt.

In 1995 vond de Wereldjamboree in plaats in Dronten. Voor het eerst sinds 1975 (toen vier personen van onze groep werden afgevaardigd naar de jamboree in het Noorse Lillehammer) waren er weer enkele deelnemers van de Berdenis van Berlekomgroep aan dit gigantische evenement.

 

De groepsbladen

In de loop der jaren heeft de Berdenis van Berlekomgroep verschillende groepsbladen gehad. In 1950 kwam het gestencilde blad ‘De Totem’ uit, gevolgd door ‘Welpen gegrom en Verkenners rombom’ van 1953 tot ongeveer 1959. In 1960 verscheen een nieuw groepsblad, genaamd ‘Impeesa’, waarvan slechts enkele nummers werden uitgebracht. Belangrijkste reden hiervoor was dat het te veel typewerk met zich meebracht, omdat men op dat moment niet over een stencilmachine beschikte. Telkens werden drie of vier nummers getypt die vervolgens binnen de groep circuleerden (al functioneerde het doorgeefsysteem slecht). Omstreeks 1965 kwam ‘’t Ottertje’ uit, gevolgd door ‘S.O.S.’ (Soos Op Solder). In november 1967 verscheen vervolgens een nieuw troepblad, aanvankelijk naamloos, maar met ingang van 1968 ‘De Maneblusser’ geheten. Het blad zou vier jaargangen blijven bestaan. De redactie bestond uit André Stufkens, Jan de Kuijper en Henk Don. Later zou Ad Jansen aan het redactieteam worden toegevoegd. Ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van de groep kwam in 1971 een jubileumnummer uit, waarin onder meer de historie van de groep uitgebreid aan bod kwam. Om het algehele probleem van tekort aan kopij op te lossen, pakten de Middelburgse groepen het idee op om de krachten te bundelen en een gezamenlijk blad uit te brengen. In 1972 kwam onder redactie van de Lutem-, de Gouden Cirkel-, de Paul Kruger- en de Berdenis van Berlekomgroep een blaadje uit. Aanvankelijk naamloos, maar vanaf het tweede nummer ‘De Plunjezak’ gedoopt. Toch bleek het nieuwe blad geen oplossing te brengen voor het gebrek aan ingezonden stukjes. Het blad werd steeds dunner en ging na vier jaargangen in 1975 ter ziele. Kort hierna bracht de Berdenis van Berlekomgroep in 1976 ter ere van het vijfenzestigjarig bestaan een jubileumblad uit, waarin werd teruggeblikt op de periode tot 1911.

Op 5 maart 1977 werd met het uitbrengen van ‘De Pionier’ opnieuw een poging ondernomen om een groepsblad van de grond te krijgen. De Pionier was een initiatief van John van Tol en Jan Don als redacteuren en Alexander Léon als illustrator. In het voorwoord van het eerste nummer spraken zij nog de hoop uit dat dit blad het langer vol zou houden dan de vele voorgaande kranten. Daar zou De Pionier in slagen, want het blad bestaat nog steeds en is inmiddels toe aan de vijfendertigste jaargang.

De naam was een idee van Wim de Zwart. De voorplaat (met de beeltenis van Baden-Powell) werd ontworpen door Wim van Tol. Na John van Tol namen onder andere Marco Paauwe, Wim Don, Leo Volkers, Wilmart Vader, Ad Jansen, Ron de Nood en Peter Daniëlse enige tijd het hoofdredacteurschap op zich. Sinds 2004 wordt de Pionier gemaakt door Arno en Arianne Schot.

 

De laatste 10 jaar: 2001 tot 2011

Aan het einde van de jaren negentig van de vorige eeuw kende de Berdenis van Berlekomgroep een moeizame periode. Na interne twisten besloten enkele kaderleden zich af te splitsen en een eigen Scoutinggroep op te richten in Arnemuiden. Het ledental van de groep liep hierdoor een flinke deuk op. Als klap op de vuurpijl bleek niet veel later de bouwkundige staat van het trappenhuis van het groepsgebouw zo slecht te zijn dat het op last van de gemeente niet langer mocht worden gebruikt. Met als gevolg dat de resterende speltakken gedurende de renovatie van het trappenhuis, die ongeveer een jaar duurde, alleen in de lokalen op de begane grond hun opkomsten konden houden. Geluk bij een ongeluk was dat er in die tijd niet meer dan in totaal ongeveer twintig esta’s en scouts waren, waardoor de beperkte ruimte niet al te veel problemen opleverde.

De eerste jaren van het nieuwe millennium stonden dan ook vooral in het teken van de wederopbouw. Toen op 8 januari 2000 het vernieuwde trappenhuis feestelijk werd heropend door toenmalig wethouder Brakman, was de opnieuw opgerichte explorerspeltak net een half jaar actief. In de zomer van 2001 werd tevens de beverspeltak na een onderbreking van enkele jaren nieuw leven ingeblazen. Verder begon ook het aantal jeugdleden mondjesmaat op te lopen, mede dankzij de sportkennismakingsactiviteiten die vanuit de gemeente werden georganiseerd. Naast sportverenigingen mochten voor het eerst ook Scoutinggroepen meedoen aan deze kennismakingsdagen voor basisschoolleerlingen en dat leverde onmiddellijk een hoop verse esta’s en scouts op. De nieuwe jeugdleden mochten in 2001 bij een brandweeroefening in het gebouw gelijk de rol van slachtoffer vervullen.

In het groepsgebouw werden ondertussen ook de handen uit de mouwen gestoken. De gemeente had een flinke hoeveelheid blikken verf beschikbaar gesteld en daarmee alle werden speltakzalen van vrolijke kleuren voorzien. Ook werd de openhaard op de scoutszaal verbouwd (en verkleind, zodat enorme vuren niet langer mogelijk waren en de schoorsteen een langer leven was beschoren). De viering van het negentigjarig bestaan kon op 7 april 2001 dan ook in een keurig opgeknapt groepsgebouw worden gehouden. Rond die tijd nam Ad Jansen afscheid van de groep, waarbinnen hij tientallen jaren in vele functies (laatstelijk als explobegeleider) actief was geweest.

Elk jaar liet de Berdenis van Berlekomgroep zich zien met de organisatie van activiteiten als de Grote Trek, het Nieuwjaarsbal en de Nationale Scoutingdag. Verder hield de groep, om wat ruimer in de slappe was te kunnen zitten, jaarlijks een aantal financiële acties, waaronder het verkopen van stroopwafels en het collecteren voor Jantje Beton. Een andere lucratieve bron van inkomsten was het inzamelen van oud papier. Samen met de Kazan de Wolfgroep werd (en wordt nog steeds) iedere maand het oud papier in de binnenstad van Middelburg opgehaald. Van de opbrengsten konden in de beginjaren van deze eeuw pionierhout, abseilmateriaal, enkele tenten, tweedehands aluminium kano’s, inklaptafels en ‑banken en een aanhangwagen worden gekocht.

Het aantal bevers was na de start met zeven kinderen inmiddels opgelopen tot twaalf. Verder zat de estaspeltak in 2002 met vijfentwintig kinderen vol en werd een ledenstop ingevoerd. Het aantal scouts bedroeg inmiddels achttien en het aantal explorers negen. Zij mochten dat jaar overigens deelnemen aan de nationale dodenherdenking in Amsterdam.

Ook Scouting ging met zijn tijd mee. Nadat eind jaren negentig de Berdenis van Berlekomgroep al een eigen website had gekregen, werd in 2001 besloten dat de interne communicatie voortaan via e-mail zou verlopen. De postvakjes voor de leiding en het bestuur in de gang konden daarmee worden opgeruimd. En omdat iedereen inmiddels aardig gewend was geraakt aan digitale communicatiemiddelen, bleek ook de Jamboree on the Air (contact leggen met andere scouts ter wereld via 27 MC-zendapparatuur, ofwel het ‘bakkie’) aan populariteit in te boeten. In 2001 werd het JOTA-weekend op het Scoutcentrum in Veere verruild voor een jaarlijks terugkerend groepsweekend, maar dan zonder zendamateurs. Andere maatschappelijke ontwikkelingen: in 2002 werd afgesproken niet meer te roken tijdens vergaderingen, in 2004 niet meer in het gebouw, behalve in het stamlokaal, en in 2008 nergens meer. De vaste telefoon in het gebouw werd in 2005 vervangen door een mobiel exemplaar. Datzelfde jaar werden ook GPS-ontvangers aangeschaft, een moderne variant op het kompas. Verder kreeg de groep te maken met betaald parkeren rondom het gebouw en met ondergrondse afvalinzameling. En met bezuinigingen van de rijksoverheid in 2004, waardoor de subsidie voor Scouting Nederland werd beëindigd en de groep een aanzienlijke contributieverhoging moest doorvoeren.

Ondertussen groeide het ledental van de Berdenis van Berlekomgroep gestaag door. In de loop van het topjaar 2003 waren er negentien bevers, zesentwintig esta’s, vierentwintig scouts en elf explorers. Een dieptepunt maakte de groep niet veel later mee: op 11 april 2005 overleed Tommy IJdens, leider bij de bevers, plotseling op negentienjarige leeftijd. Tijdens de uitvaart was het volledige team van leiding en bestuur aanwezig in uniform. Ook vanuit de andere Middelburgse Scoutinggroepen kwamen vele blijken van medeleven.

In de loop der jaren werd steeds meer materiaal aangeschaft, waaronder een paar grote tenten waar tijdens kampen met een gehele speltak in kon worden gebivakkeerd. Een rechtstreeks gevolg hiervan was dat het magazijn op de derde verdieping inmiddels uit zijn voegen barste. Eind 2004 werd daarom begonnen met het verbouwen en vergroten van het magazijn. Hoewel dat ten koste ging van de ruimte voor de explorers, bleek na de klus dat de explozolder wel een stuk knusser was geworden. Ook werden de keuken van de explo’s en de trap naar de zolder aangepakt en een aantal nieuwe kachels geïnstalleerd. Verder zorgde de gemeente ervoor dat het groepsgebouw voldeed aan de brandveiligheidseisen. Zo werden overal rookmelders en noodverlichting aangebracht.

Het 95-jarig bestaan van de Berdenis van Berlekomgroep werd in 2006, met het naderende eeuwfeest in het achterhoofd, bescheiden gevierd. Wel kregen alle leden een rode fleecetrui met BvB-logo op de borst. Er liepen dat jaar negen bevers, negentien esta’s, zeventien scouts en elf explorers rond bij de groep. Een aanzienlijke uitgave in deze periode was wel de aanschaf van een nieuwe grote kar, onder meer bedoeld voor het ophalen van oud papier. De uitbreiding van het aanhangwagenpark van de groep werd mogelijk gemaakt dankzij enkele sponsors en een financiële actie die speciaal hiervoor was georganiseerd. De gemeente zorgde er met het repareren en verbreden van de tuinpoort toevalligerwijs ongeveer gelijktijdig voor dat de achterplaats, waar de stalling van de karren plaatsvond, beter bereikbaar werd. Ook de gammele schutting aan de andere kant van de tuin werd enkele jaren later door de gemeente vervangen.

In 2007 besloot Scouting Nederland tot een herstructurering van de Scoutingorganisatie. Met het oog op risicospreiding moest elke Scoutinggroep in het land een zelfstandige vereniging worden met daarnaast een stichting die de geldelijke middelen van de vereniging beheerde. Ook de Berdenis van Berlekomgroep werd een jaar later omgevormd tot een vereniging met aparte beheersstichting. Verder leek het erop dat de groep het gebouw moest gaan delen met een andere gebruiker. De Kinderopvang Walcheren (KOW) informeerde naar de mogelijkheden om als medehuurder enkele ruimtes op doordeweekse dagen te gebruiken voor buitenschoolse opvang. In verband met de hoge kosten die de aanpassing van het gebouw aan de strenge hedendaagse eisen voor kinderopvang met zich bleek mee te brengen, haakte de KOW in een laat stadium af.

In de laatste jaren voorafgaand aan het eeuwfeest waren er rond de zeven bevers, vijftien esta’s, twaalf scouts en zeven explorers. De stam werd korte tijd opgeheven door een gebrek aan leden, maar ging na de zomer van 2009 weer van start met vijf overgevlogen explo’s. Een hoogtepunt uit de recente geschiedenis was het bezoek van de Koninklijke familie aan Middelburg tijdens Koninginnedag 2010. Enkele prinsen begaven zich op de door de Berdenis van Berlekomgroep gefabriceerde familieschommel en beverleidster Arianne Schot kreeg hoogstpersoonlijk een handtekening van prinses Máxima op haar Scoutingdas.

Enkele laatste ontwikkelingen die het vermelden waard zijn, hebben alle te maken met het honderdjarig bestaan van Scouting Nederland in 2010. Het jubileumjaar werd door de landelijke organisatie aangegrepen om Scouting enigszins te moderniseren. Zo ging het trainingssysteem voor leidinggevenden volledig op de schop, kwam er een geheel nieuwe kledinglijn voor Scoutingleden en werden enkele speltaknamen en -thema’s gewijzigd. Sinds kort heten de esta’s, net als voor 1991, weer welpen en spelen zij weer volgens het Jungleboek-thema. Het is dus niet altijd goed om oude methodes naar de prullenbak te verwijzen. Met alle veranderingen hoopt Scouting Nederland een aansprekende jongerenorganisatie te blijven en klaar te zijn voor de toekomst. Dat geldt uiteraard ook voor de Berdenis van Berlekomgroep!

De volgende personen (in alfabetische volgorde) hebben zich in de afgelopen tien jaar als vrijwilliger ingezet voor de groep: Owen Anssems (explorers en stam), Leon Blansjaar (scouts), Christiaan de Boks (scouts), Maarten Bruggeman (esta’s), Karl de Bruyn (bestuur), Marleen de Bruyn (bevers en explorers), Marco de Bruyn (esta’s), Paul van Burgh (esta’s), Peter Daniëlse (scouts en bestuur), Jörgen van Delft (esta’s), Leo Groenleer (bestuur), Susan Groenleer-Cragg (bevers), Jessica Groenleer (esta’s), Jeroen Hillemans (bestuur), Mariska Hueting (scouts), Tommy IJdens (bevers), Henk de Keijzer (scouts en stam), Rudy Kerkhove (esta’s), Leanne Kester (explorers), Marco de Klerk (bestuur), Richard van Kleven (bestuur), Gusta van Kleven (bevers en explorers), Michiel Kruit (scouts en stam), Niek Meijer (bestuur), Ron de Nood (bestuur), Vishakha de Nood-Dorleijn (esta’s), Jolanda Nuijts (bevers), Grietje Plansoen-Veld (bevers), Ronald van Rooijen (bestuur), Roel van Rooijen (esta’s), Arno Schot 1 (esta’s en bestuur), Arno Schot 2 (scouts en explorers), Arianne Schot-Van Vliet (bevers), Joke Schot-Belfroid (bestuur), Carla van de Schraaf-Wery (esta’s), Lorenzo van Staalduinen (scouts), Jannes van Vliet (esta’s) en Marcel Wilke (explorers).

 

De naamgever van de groep: Eduard Berdenis van Berlekom

De welgestelde familie Berdenis van Berlekom vestigde zich in de achttiende eeuw vanuit Heusden in Middelburg. Het geslacht zou onder meer burgemeesters, een predikant, medici, advocaten, leden van de rechterlijke macht en industriëlen voortbrengen.

Eduard Berdenis van Berlekom werd geboren op 11 februari 1863 te Middelburg. Reeds op twintigjarige leeftijd werd hij benoemd tot officier om, na een lange loopbaan bij de mariniers, op 1 januari 1919 als luitenant-kolonel met pensioen te gaan. Vanaf zijn pensionering tot zijn overlijden in 1932 was Eduard Berdenis van Berlekom voorzitter, begunstiger en beschermheer van de padvindersbeweging in Middelburg. Tevens was hij van 1926 tot 1932 waterconsul van de ANWB te Middelburg en voorts erelid van de Sociëteit Sint-Joris. Berdenis van Berlekom werd onderscheiden voor zijn belangrijke krijgsverrichtingen in Atjeh (toenmalig Nederlands Indië) en werd tevens ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Eduard Berdenis van Berlekom overleed op 16 november 1932 te Middelburg. Zeker is dat zijn naam niet vanaf het eerste uur aan onze groep was verbonden, omdat hij zich pas in 1919 ging bezighouden met de padvinderij. Waneer de groep daadwerkelijk Berdenis van Berlekomgroep is gaan heten is onbekend. Mogelijk is dit pas gebeurd na het overlijden van Eduard Berdenis van Berlekom in 1932.

De laatste echte ‘BvB-er’ was Peter Berdenis van Berlekom. Hij was in de jaren vijftig welp bij de Berdenis van Berlekomgroep.

 

De geschiedenis van het groepsgebouw

 

Het gebouw aan de Zuidsingel 92

Het voormalige ijkkantoor op de hoek Zuidsingel – Sint-Jorisstraat werd (en misschien wel wordt) door velen in Middelburg aangeduid als het padvindersgebouw, omdat het al zo lang als zodanig dienst doet. Het huidige groepsgebouw van de Berdenis van Berlekomgroep stamt uit 1739, een jaartal dat zowel op de voorgevel als op de vangbak voor regenwater aan de achtergevel staat vermeld. Het pand werd oorspronkelijk ingericht als ijkkantoor en heeft tientallen jaren hiervoor dienst gedaan. IJken is het keuren en merken van maten, gewichten en meet- en weegwerktuigen. Naast ijkkantoor zou het gebouw in de achttiende eeuw tevens hebben gediend als Admiraliteitskamer. De Admiraliteiten waren in de Republiek der Verenigde Nederlanden de colleges waarbij het beheer van de zaken betreffende de zeevaart berustte (belastinginning, toezicht op bouw en onderhoud van oorlogsschepen, rechtsmacht voor op zee begane delicten). Aan de Republiek kwam in 1795 met de inval van de Franse legers en de uiteindelijke inlijving bij het Frankrijk van Napoleon Bonaparte een einde. In de Franse tijd deed het huidige groepsgebouw enige tijd dienst als kazerne voor de Franse legers. Dit duurde tot de bevrijding van de Nederlanden in 1813.

De eerste verdieping (welpenzaal) werd in 1839 ingericht als concertzaal. Het is qua ruimte en afmetingen een prachtige zaal en de lichttoevoer door de drie grote ramen is geweldig. Het publiek zat op van kussens voorziene banken, waarvan er in totaal vijfendertig konden staan. Indien nodig was er achter de banken nog ruimte voor zeventig stoelen en bovendien waren er nog vijftig staanplaatsen. Tot wanneer het gebouw als concertzaal heeft gediend is niet bekend. Het gebouw werd verder gebruikt voor allerlei bijeenkomsten, tentoonstellingen en lezingen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren een huisvestingsbureau en de afdeling van de politie in het pand gevestigd. Na de oorlog was naast onze groep ook een kantoor van de Nederlandse Heide Maatschappij in het gebouw gehuisvest. Aanvankelijk zat de N.H.M. alleen op de benedenverdieping, later wilde zij ook de eerste en tweede verdieping betrekken. De gemeente Middelburg zegde de huur van de groep op en bood de gerestaureerde Seismolen aan. Aan de Seismolen kleefden echter teveel bezwaren: de huur was te hoog, de ruimte te klein en er was geen goede verwarming. De groep besloot de Zuidsingel niet vrijwillig te verlaten en bood aan één verdieping af te staan in ruil voor de zolder, die toen niet in gebruik was. Hiernaar had de gemeente geen oren. Toch werd de groep nooit het gebouw uitgezet. Vanaf het moment in 1955 dat de N.H.M. naar Goes vertrok, huurt de groep het hele gebouw. De welpen (en tegenwoordig de esta’s) gebruiken sinds het eind van de jaren vijftig de eerste verdieping, terwijl de verkenners (nu scouts) de tweede verdieping als hun onderkomen hebben. Een deel van de benedenverdieping doet sinds 1965 dienst als stamlokaal en een ander deel werd lang gebruikt als opslagplaats voor de instrumenten van de drumband en als leidinghok. Tegenwoordig is dit deel ingericht als beverlokaal. Op de zolder hebben achtereenvolgens de welpen, de zeeverkenners en de rowans (tegenwoordig explorers) gezeten.

Begin 1980 werd het gebouw aangepast aan de brandveiligheidsvoorschriften door aan de achtergevel over de gehele hoogte van het gebouw een brandtrap aan te brengen. Door achterstallig onderhoud raakte het pand echter in een steeds slechtere staat. Toen in 1993 bleek dat er voor anderhalve ton aan het pand verbouwd moest worden, overwoog de gemeente Middelburg serieus om het gebouw te verkopen en de Berdenis van Berlekomgroep eruit te zetten. Door onder andere de politiek aan onze kant te krijgen kon dit gelukkig worden voorkomen. De buitengevels werden hersteld, de houten sierelementen aan voorzijde gerestaureerd en de rotte draagbalken gerepareerd met kuntshars. Verder werden de dakkapellen vernieuwd, de schoorstenen opnieuw opgebouwd en de goten volledig vervangen. Gedurende lange tijd ondervond de groep veel hinder van de werkzaamheden.

In 1999 leek het doemscenario zich te herhalen, toen bleek dat het aangebouwde trappenhuis zodanig was verzakt dat het leek los te kunnen scheuren van het hoofdgebouw. De gemeente zag de ernst van de situatie in en verbood ons om het trappenhuis nog langer te betreden, zodat slechts van de begane grond gebruik kon worden gemaakt. Uiteindelijk duurde het ruim een jaar voordat het trappenhuis was voorzien van een nieuwe fundering en verder geheel was opgeknapt. Tegelijkertijd werd de achterdeur verplaatst en werden er twee nieuwe toiletten onder de trap geïnstalleerd. Bij de sloop van het oude toilet bleek overigens dat dit toilet geen aansluiting op het riool had, maar dat alles gewoon wegspoelde in de grond onder het trappenhuis. Dit zou wel eens mede de verzakking hebben kunnen veroorzaakt. Voor de groep stond het jaar 1999 vooral in het teken van het zich moeten behelpen met de twee lokaaltjes op de benedenverdieping.

Het is niet bekend in welk jaartal de Berdenis van Berlekom zich in het pand Zuidsingel 92 heeft gevestigd. Voormalig oubaas De Kuijper herinnerde zich in 1976 dat de voortrekkersstam reeds begin jaren dertig in het gebouw zijn bijeenkomsten hield. Het vermoeden dat de groep al in de eerste decennia van deze eeuw in het pand gehuisvest was, wordt versterkt door een uit begin jaren twintig gedateerde foto, welke ook al padvinders in en om het gebouw laat zien. Het ANWB-bordje op de gevel van het groepsgebouw vermeldt 1958 als jaar waarin de groep zijn intrek nam in het gebouw. Dit is echter pertinent onjuist.

 

De architect van het gebouw

Jan de Munck werd geboren op 12 september 1687 te Hulst en verliet het Zeeuw-Vlaamse stadje al op jonge leeftijd. In de jaren 1713 en 1714 was De Munck als landmeter werkzaam op Walcheren en in 1715 werd hij als poorter van de bloeiende handelsstad Middelburg ingeschreven met als beroep meester-timmerman. De Munck trouwde aldaar met Catharina Dunewey, dochter van de deken van het timmermansgilde, waardoor zijn aanzien danig steeg. In 1723 werd De Munck zelf deken van dit gilde en kocht hij een huis aan de Spanjaardstraat met een daarachter liggend erf dat doorliep tot het Molenwater. Op deze plaats bouwde hij voor eigen bewoning in 1735 het huis genaamd ‘Het Observatorium’. Dit woonhuis, thans Zuidsingel 126, deed later onder meer dienst als protestants-christelijk militair tehuis.

In november 1730 werd Jan de Munck aangesteld als stadsarchitect met een salaris van vijfhonderd gulden per jaar. Hij ontwierp vele gebouwen in Middelburg, waaronder de Koepoort (1735), het IJkhuis (1739), dat nu dienst doet als groepsgebouw van de Berdenis van Berlekomgroep, en de Lutherse Kerk (1742). In achttiende eeuw was de stadskas boordevol, zodat De Munck vrijwel onbeperkt zijn gang kon gaan met zijn bouwkundige activiteiten. Ook de zonnewijzer die aan de gevel van het stadhuis geplaatst werd, later zijn plaats vond op de (inmiddels afgebroken) Streekschool aan het Molenwater en thans wederom aan de gevel van het stadhuis prijkt, is door De Munck ontworpen. Uit persoonlijke belangstelling beoefende De Munck sterrenkunde. Zijn waarnemingen deed hij vanuit een hoge toren die hij naast zijn woonhuis aan de Zuidsingel had laten bouwen. Als erkenning van zijn verdienstelijk werk op sterrenkundig gebied benoemde stadhouder Willem IV hem in 1747 tot zijn ‘Astronomus en Observateur in de hemelloop- en sterrenkunde’. Jan de Munck overleed op 24 februari 1768 te Middelburg op de voor die tijd zeer respectabele leeftijd van tachtig jaar.